Inloggen

De gemeente Opmeer wil als eerste gemeente in Nederland een mini kernreactor op haar grondgebied plaatsen om zo te voldoen aan de stroombehoefte van de gemeente. Daan Pruimboom van de gemeente Opmeer nam de deelnemers mee in het proces dat de gemeente doorloopt om de mogelijkheden voor een zogehete small modular reactor te verkennen. Daan is programmamanager duurzaamheid bij de gemeente Opmeer en werkt ruim 2,5 jaar voor de gemeente. Vanaf het eerste begin is hij betrokken geweest bij het SMR-project en heeft hij het traject van dichtbij meegemaakt. 

Achtergrond van het onderwerp 

Daan begon met de achtergrond van het onderwerp. De aanleiding voor het traject ligt in een motie die in december 2023 door de gemeenteraad van Opmeer is aangenomen. In die motie werd opgeroepen om de mogelijkheden te verkennen voor de plaatsing van een small modular reactor. Daarbij speelde vooral de vraag mee hoe de gemeente haar duurzame energieopwekdoelstellingen op een andere manier zou kunnen invullen. 

Kort daarna werd het onderwerp ook geborgd in de kadernota. Zowel de motie als het amendement bij de kadernota werden unaniem aangenomen. In Opmeer is hiermee sprake van brede politieke steun. Dat is belangrijk, omdat het om een nieuw en gevoelig onderwerp gaat waar veel vragen over leven. 

De gemeente heeft vervolgens bestuurlijke gesprekken gevoerd, ook in de regio West-Friesland. Opmeer maakt deel uit van de RES-regio West-Friesland. Daarom kan een mogelijke SMR niet alleen invloed hebben voor de gemeente zelf, maar ook voor de bredere regio. In eerste instantie bleek de animo in de regio beperkt. De gemeente besloot daarom eerst vooral te onderzoeken wat er binnen Opmeer zelf mogelijk zou zijn. 

Daarnaast organiseerde de gemeente informatiebijeenkomsten voor personeel, raad en inwoners. Daan merkte daarbij dat het kennisniveau sterk uiteenloopt. Sommige mensen beginnen bij onderwerpen als Tsjernobyl en Fukushima, terwijl anderen direct vragen stellen over netinpassing. Dat vraagt volgens hem om veel schakelen, maar maakt het traject ook interessant. 

Waarom kijkt Opmeer naar een SMR? 

Daan stond vervolgens stil bij de vraag waarom juist een kleine gemeente als Opmeer met ongeveer 15.000 inwoners dit onderwerp oppakt. Dat heeft vooral te maken met de regionale energiestrategie. Die bestaat tot nu toe vooral in zon- en windprojecten. 

Opmeer is een kleine gemeente met veel landelijk gebied. Zonneweiden van tien of vijftien hectare hebben veel invloed op het landschap. Windmolens zijn eerder door de gemeenteraad afgewezen, behalve eventueel op erven. Tegelijkertijd geldt volgens Daan dat een gemeente die aangeeft wat zij niet wil, ook moet nadenken over wat zij dan wel wil. 

Daar komt bij dat zon- en windenergie niet altijd leveringszeker zijn. Er is opslag nodig en ook dat vraagt ruimte en belast het elektriciteitsnet. Vanuit die achtergrond ontstond de wens om te kijken naar een andere vorm van duurzame energieopwekking. 

Wat is een SMR? 

SMR staat voor small modular reactor. Het woord “small” is daarbij relatief. Er bestaan varianten van ongeveer 5 megawatt tot 300 megawatt. Ter vergelijking: de kerncentrale in Borssele heeft een vermogen van ongeveer 480 megawatt. 

Het modulaire karakter betekent dat de reactor fabrieksmatig en in serie kan worden gebouwd. Dat is anders dan bij grote kerncentrales, die vaak op locatie worden gebouwd. Een reactor werkt op basis van een kettingreactie door splijting. De technologie is volgens Daan niet volledig nieuw. In onderzeeërs wordt al lange tijd gebruikgemaakt van nucleaire installaties en in verschillende landen bestaan al SMR-achtige toepassingen. 

Een SMR vraagt volgens de onderzochte gegevens minder ruimte dan veel andere vormen van grootschalige energieopwekking. Afhankelijk van het type gaat het om ongeveer 0,5 tot 15 hectare. Voor Opmeer is vooral belangrijk dat de technologie past bij de lokale stroomvraag, het landschap en de mogelijkheden voor onder meer koelwater. 

Kansen van een SMR 

Volgens Daan biedt een SMR verschillende kansen. In de regio West-Friesland ligt er richting 2030 een opgave om 0,7 terawattuur groene stroom op te wekken. Richting 2040 en 2050 wordt verwacht dat de behoefte verder toeneemt. Een SMR van 100 megawatt zou volgens het rekenvoorbeeld ongeveer 0,8 tot 0,9 terawattuur groene stroom kunnen leveren. 

Daarmee zou zo’n reactor een groot aandeel kunnen leveren in de energieopwekking van heel West-Friesland. Een SMR kan bovendien zowel elektriciteit als warmte leveren. Afhankelijk van de vraag kan meer nadruk worden gelegd op stroom of op warmte. Dat maakt de technologie interessant in het kader van de energietransitie. 

Een ander voordeel is dat een SMR de noodzaak voor nieuwe zon- en windprojecten kan verminderen. Volgens Daan is dat voor Opmeer relevant, omdat de gemeente zorgvuldig wil omgaan met het landschap. Ook kan de ontwikkeling van een eerste SMR-project bijdragen aan de versnelling van SMR-ontwikkeling in Nederland. 

Daarbij speelt ook de landelijke context mee. Het Rijk heeft een SMR-strategie opgesteld en middelen beschikbaar gesteld voor het eerste project in Nederland. Volgens Daan volgt het Rijk de ontwikkelingen in Opmeer met interesse, al wijst het Rijk op dit moment zelf geen locatie aan. 

Wat heeft de gemeente gedaan? 

De gemeente Opmeer heeft een haalbaarheidsonderzoek laten uitvoeren. Daarbij werd de gemeente ondersteund door externe expertise. In dat onderzoek stond de vraag centraal welke SMR passend zou zijn voor Opmeer en hoe zo’n ontwikkeling gerealiseerd zou kunnen worden. 

De gemeente formuleerde daarbij een aantal belangrijke criteria. De SMR zou bij voorkeur beschikbaar moeten zijn voor 2035, en uiterlijk rond 2040. Dat sluit aan bij de ambitie van Opmeer om in 2040 klimaatneutraal te zijn. Daarnaast moest de technologie passen bij de verwachte stroomvraag van de gehele gemeente. 

Ook werd gekeken naar de ruimtelijke mogelijkheden. Opmeer ligt niet aan groot open water, waardoor een ontwerp met zo weinig mogelijk koelwaterbehoefte natuurlijk wenselijk is. Verder wilde de gemeente onderzoeken of opbrengsten of voordelen op een bepaalde manier zouden kunnen terugvloeien naar inwoners. Daarbij werd bijvoorbeeld gedacht aan een gemeentelijk energiebedrijf, korting op de energierekening of een andere vorm van lokale betrokkenheid. 

De centrale vraagstelling 

De centrale vraag in het onderzoek was: wat voor SMR past bij Opmeer en hoe kan deze worden gerealiseerd? 

Om die vraag te beantwoorden keek de gemeente onder meer naar het doel van het project, de passende technologie, de voorwaarden waaronder Opmeer bereid zou zijn om de ontwikkeling mogelijk te maken en de rol van de gemeente. Ook governance, financiering, vergunningen, locatiekeuze en betrokkenheid van inwoners speelden daarbij een grote rol. 

De werkgroep onderzocht zeven bepalende factoren. Daarbij ging het onder meer om de toekomstige energievraag, beschikbare technologie, locatiegeschiktheid, vergunningen, implementatie, financiering en de mogelijke rol van de gemeente. Volgens Daan was het belangrijk om niet alleen technisch te kijken, maar ook bestuurlijk, organisatorisch en maatschappelijk. 

Toenemende vraag naar elektriciteit 

Uit het onderzoek kwam naar voren dat de vraag naar elektriciteit in de toekomst sterk zal stijgen. Daarbij is rekening gehouden met electrificatie, woningbouw, isolatie en groei van elektrisch gebruik. Omdat Opmeer een uitgestrekte gemeente is, ligt een warmtenet niet overal direct voor de hand. Daardoor zal de elektriciteitsvraag naar verwachting verder toenemen. 

Voor volledig CO2-vrije opwekking binnen de gemeente kwam het onderzoek uit op ongeveer 15 tot 20 megawatt elektrisch vermogen. Dat is minder dan Daan vooraf had verwacht. Tegelijkertijd is het niet verboden om meer energie te produceren dan de gemeente zelf nodig heeft. Energie wordt immers geleverd via een groter netwerk. 

 

Conclusie van het eerste onderzoek 

De conclusie van het eerste haalbaarheidsonderzoek was dat Opmeer over geschikte locaties beschikt en dat de vergunning structuur op hoofdlijnen helder is. De Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming speelt daarbij een belangrijke rol. Daarnaast blijft de gemeente op onderdelen bevoegd gezag, bijvoorbeeld bij de omgevingsvergunning. 

Tegelijkertijd bleek binnen de gestelde kaders op dat moment geen SMR haalbaar. De technologieën die het beste pasten bij de eigen stroomvraag van Opmeer waren nog niet op korte termijn beschikbaar of konden op dat moment niet in Opmeer worden gerealiseerd. Daarom werd aanbevolen om alternatieve mogelijkheden verder te verkennen. 

Daarbij werd gedacht aan samenwerking met andere gemeenten, het vergroten van de stroomvraag, het betrekken van grotere SMR-varianten of het op langere termijn aanhaken bij ontwikkelingen rond bijvoorbeeld waterstofproductie. Als dat allemaal niet zou lukken, bleef verdere inzet op zon en wind een optie. 

Nieuwe ontwikkeling: twee partijen melden zich 

Vlak voordat de gemeente verder wilde met vervolgonderzoek, meldden zich twee nieuwe partijen. Het ging om Allseas uit Delft en Copenhagen Atomics uit Denemarken, waarbij later ook IngoPower in beeld kwam als projectorganisatie achter Copenhagen Atomics. 

Omdat deze partijen beter aansloten bij de kaders van Opmeer, besloot de gemeente opnieuw te kijken naar de mogelijkheden. Daarbij werden aanvullende selectiecriteria gebruikt. Er werd onder meer gekeken naar de inzetbaarheid van warmte, de projectorganisatie, de kosten per megawattuur en het niveau waarin de partijen concreet met een project aan de slag konden. 

Uit het vervolgonderzoek kwam Allseas als sterkere partij naar voren. Dat had volgens Daan vooral te maken met het ontwerp en de organisatiestructuur. Allseas ontwikkelt een SMR voor toepassing op grote schepen, omdat het bedrijf zelf ook moet verduurzamen. Om de technologie te bewijzen, wil het bedrijf eerst een toepassing op land ontwikkelen. 

Het vervolg na het onderzoek 

Het college besloot vervolgens toe te werken naar een intentieovereenkomst met Allseas. Daarnaast werden de gesprekken met IngoPower voortgezet. Tegelijkertijd was duidelijk dat er nog veel verder onderzoek nodig is. 

Zo moet worden gekeken naar de projectorganisatie, financiering, netinpassing en locatiespecifiek onderzoek. Ook moet duidelijk worden welke rol de gemeente precies krijgt. Wordt er gewerkt met een samenwerking, een aparte organisatievorm, een coöperatie of een andere constructie? Volgens Daan zijn dat vragen die in een volgende fase verder moeten worden uitgewerkt. 

Een intentieovereenkomst is daarbij belangrijk, omdat een initiatiefnemer richting de ANVS moet kunnen aangeven waar het project gewenst is en hoe de gemeente daartegenaan kijkt. Tegelijkertijd betekent zo’n overeenkomst nog niet dat alle vragen al beantwoord zijn. 

Coördinerend bevoegd gezag 

Een belangrijke nieuwe ontwikkeling was de landelijke SMR-strategie. Daarin staat dat het Rijk bij het eerste SMR-project in Nederland een coördinerende rol als bevoegd gezag wil nemen. In eerste instantie vond de gemeente Opmeer dat ingewikkeld, omdat zij al ver in het proces zat. 

Na overleg bleek dat het vooral gaat om coördinatie. Het Rijk zorgt ervoor dat vergunningen op tijd worden aangeleverd, ondersteunt bij participatietrajecten en stelt middelen beschikbaar voor locatieonderzoek en andere randvoorwaardelijke zaken. Dat maakt het voor Opmeer ook een stuk interessanter, omdat de gemeente daarmee niet alles alleen hoeft te organiseren. 

De initiatiefnemer blijft de partij die de vergunning bij de ANVS aanvraagt. De gemeente heeft wel een locatie, een projectorganisatie en bestuurlijke positie nodig om onderdeel te kunnen zijn van zo’n traject. 

Waar staat Opmeer nu? 

Op dit moment onderzoekt Allseas haar opties. Een belangrijk aandachtspunt is de netinpassing. De gemeente ging er eerder vanuit dat een SMR Netcongestie verlichtend zou werken, omdat het een leveringszekerheidsbron is en kan bijdragen aan de overgang van gas naar elektriciteit. In de praktijk blijkt dat een stuk ingewikkelder. 

Er spelen vragen over aansluiting op het netwerk van Liander, mogelijke aansluiting op het netwerk van TenneT en de rol van de Autoriteit Consument & Markt. Ook wordt gekeken naar oplossingen achter de meter en naar mogelijke koppelingen met andere locaties of grote stroomvragers in de omgeving. 

Volgens Daan is het belangrijk om alternatieve routes in beeld te hebben. Het slechtste scenario is dat het met Allseas niet lukt en dat ook IngoPower geen passende route biedt. In dat geval zou de gemeente mogelijk een tender moeten uitschrijven. Zover is het op dit moment nog niet, maar het is wel verstandig om te weten welke mogelijkheden er zijn. 

Uitdagingen 

Daan benoemde verschillende uitdagingen. Een eerste uitdaging is de verhouding tot de RES. De RES tot 2030 hield geen rekening met kernenergie. Dat betekent dat een SMR niet zomaar past binnen de bestaande afspraken. Tegelijkertijd kijkt Opmeer verder dan 2030, omdat een SMR naar verwachting niet vóór die tijd gerealiseerd zal zijn. 

Een tweede uitdaging is het opstellen van voorwaarden. Daan noemde de Borselse voorwaarden als inspiratiebron. Daar werd, nadat het Rijk een locatie had aangewezen, vanuit de gemeente nagedacht over voorwaarden voor de omgeving. Opmeer wil ook nadenken over voorwaarden, maar dan vanuit de eigen positie en op een moment dat het project nog in ontwikkeling is. 

Ook de energie-infrastructuur is een grote uitdaging. Netcongestie, mogelijke overproductie en de vraag wie de afnemers van de energie worden, maken het traject complex. Wanneer er meer vermogen wordt geproduceerd dan Opmeer zelf nodig heeft, verandert ook het krachtenveld. Dan komen mogelijk andere partijen, netbeheerders, energieleveranciers en de overheid nadrukkelijker in beeld. 

Daarnaast speelt de zogenoemde first-of-a-kind-problematiek. De eerste reactor van een bepaald type is vaak duurder, ingewikkelder en risicovoller dan latere exemplaren. Dat heeft gevolgen voor financiering, vergunningverlening, planning en verwachtingen. 

Een laatste uitdaging is de veranderende mandaatstructuur. De SMR-strategie legt bij het eerste project een coördinerende rol bij het Rijk. Tegelijkertijd wordt ook gesproken over mogelijke rollen voor provincies bij latere projecten. Voor een gemeente die al ver in het proces zit, kan dat voelen als een stap terug. Daarom is het belangrijk om steeds goed te volgen wie waarvoor verantwoordelijk is. 

Participatie en maatschappelijke discussie 

Tijdens de webinar kwam ook participatie aan bod. Volgens Daan heeft Opmeer al meerdere informatiebijeenkomsten georganiseerd. De bijeenkomsten waren goed bezocht en de reacties waren volgens hem overwegend positief. 

Tegelijkertijd verwacht hij dat er meer discussie kan ontstaan zodra het project concreter wordt. Kernenergie roept landelijk veel sentiment op. De gemeente kreeg al te maken met landelijke reacties en e-mailacties, maar vanuit Opmeer zelf bleef het aantal negatieve reacties tot nu toe beperkt. 

Volgens Daan kun je inwoners niet vragen om zelf te bepalen wat technisch de beste locatie is voor een kernreactor. Dat is te specialistisch. Waar inwoners wel goed over kunnen meepraten, is de vraag hoe eventuele opbrengsten terugvloeien naar de gemeenschap, hoe warmte kan worden benut en welke voorwaarden belangrijk zijn voor de omgeving.

Wat heeft een gemeente nodig? 

Aan het einde ging Daan in op de vraag wat een gemeente nodig heeft om met zo’n ontwikkeling aan de slag te gaan. Volgens hem begint het met politiek en bestuurlijk draagvlak. De gemeenteraad moet gemotiveerd zijn om het onderwerp prioriteit te geven. Ook de wethouder moet er tijd voor maken, het nut ervan zien en bereid zijn om ervoor te staan. 

Daarnaast zijn gemotiveerde ambtenaren nodig. Daan gaf aan dat het traject verder gaat dan een standaard takenpakket. Er is persoonlijke drive nodig, omdat veel nog onbekend is en omdat de gemeente vanaf nul begint. Niemand had vooraf alle kennis of ervaring in huis. 

Daarbij hoort volgens hem ook pioniersmentaliteit. Een gemeente die hiermee aan de slag gaat, moet bereid zijn om te ontdekken, vragen te stellen en onderweg nieuwe partijen te leren kennen. Externe expertise is daarbij zeer waardevol. Opmeer maakte gebruik van een externe adviseur met kennis van kernenergie en energieonderzoek. 

Ook korte lijnen met relevante overheden en partners zijn belangrijk. Denk aan het Rijk, de ANVS, netbeheerders, de veiligheidsregio, buurgemeenten, initiatiefnemers en andere betrokken partijen. Het krachtenveld verandert tijdens het proces en daarom moet een gemeente flexibel kunnen meebewegen. 

Tot slot helpt het als een gemeente zelf grond in bezit heeft. Dat is niet strikt noodzakelijk, maar het scheelt volgens Daan wel veel stappen. Opmeer beschikt over grond die eerder is aangekocht voor duurzame energieopwekking.  

 

Dit webinar werd georganiseerd door de vakgroep Projectmanagement van de VPNG. De presentatie van Daan is te downloaden en hij heeft achteraf nog een aantal vragen beantwoordt die je terugvindt in het forum en het webinar is terug te kijken.